Je leest de laatste tijd over `debetcards’ en `creditcards’; wat is eigenlijk het verschil?


Creditcards kunnen wereldwijd worden gebruikt om te betalen bij winkels die de kaart accepteren en om contant geld bij banken op te nemen. Bij het betalen of het geld opnemen wordt niet gekeken naar je tegoed op je bank of girorekening maar naar de bestedingsruimte. De kaarthouder kan namelijk tot een bepaald bedrag per maand besteden, de zogenaamde gegarandeerde bestedingsruimte die meestal afhankelijk is van het inkomen. Elke maand krijgt de kaarthouder een overzicht van zijn financiële bestedingen van de afgelopen maand. Het totaal van het met de kaart uitgegeven bedrag wordt in een keer van zijn betaalrekening afgeschreven. Als de kaarthouder daardoor rood komt te staan, moeten de bank en de client een regeling treffen. De instelling die de creditcard verstrekt geeft dus in feite zeer korte termijn leningen. Voorbeelden van creditcards zijn de PostbankCard, Eurocard Gold en Visakaart.

Met een debetcard kun je geld opnemen van een rekening waarop geld staat of waarop je voor een bepaald bedrag rood mag staan. Debetcards zijn er in twee vormen: een debetcard met een magneetstrip en een debetcard met een chip. Een debetcard met een magneetstrip is bedoeld voor het elektronisch geldverkeer. Met deze kaart kan rechtstreeks geld worden opgenomen van de betaalrekening.

Voor er een betaling wordt verricht of geld wordt opgenomen, vindt er een saldocontrole plaats. Daardoor kan niet meer geld worden opgenomen dan op de rekening staat. Een andere functie van een debetcard is het ‘on-line’ betalen. De betaalautomaat, bijvoorbeeld bij een benzine-station staat in directe verbinding met de computer van de bank. Bij de betaling wordt gecontroleerd of er voldoende saldo op de rekening staat. Als dat niet zo is wordt betaling met de kaart geweigerd en moet je op een andere manier betalen. Bij een debetcard hoort een PIN-code. Voorbeelden van debetcards zijn de giromaatpas en diverse bankpasjes. Een debetcard met een chip heeft een microchip waarin informatie wordt opgeslagen. Bij aanmaak van een chipcard wordt in het geheugen een bestedingslimiet vastgelegd voor een periode van een week of een maand. Elke transactie in die bepaalde periode wordt van de bestedingsruimte afgetrokken.

Het bedrag dat met de chipcard is betaald wordt van de betaalrekening afgeschreven. Na die week of maand komt de bestedingsruimte automatisch weer op de oorspronkelijke limiet te staan. Tijdens die periode kan de kaarthouder dus betalingen verrichten tot de hoogte van de limiet.